De Centrale Raad van Beroep heeft op 14 januari 2010 uitspraak gedaan in een zaak betreffende een ambtenaar van de gemeente Rijswijk.
De Raad is van oordeel dat betrokkene zich geenszins als een goed ambtenaar heeft gedragen en de noodzakelijke vertrouwensrelatie met het college ernstig onder druk heeft gezet. De Raad is van oordeel dat de aard en ernst van de gedragingen zodanig zijn dat de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten. De langdurige staat van dienst van appellant doet niet af aan de conclusie van het college dat appellant heeft gehandeld in strijd met de eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid en dat appellant daardoor het in hem te stellen vertrouwen in ernstige mate heeft geschonden en aldus aan het eigen aanzien en aan dat van de gemeente Rijswijk schade heeft toegebracht.Download de uitspraak hier.
Naar aanleiding van informatie dat de ambtenaar een verhouding zou hebben met de echtgenote van een ex-wethouder/raadslid van de gemeente is bij het college het vermoeden gerezen dat de ambtenaar deze persoon in diensttijd met de dienstauto thuis heeft bezocht.
Uiteindelijk bestond het plichtsverzuim, samengevat, uit:
a) het zonder toestemming en zonder werkgerelateerde noodzaak onder diensttijd bezoeken van een privépersoon;
b) het onder diensttijd verrichten van niet werkgerelateerde (neven)activiteiten;
c) het afleggen van misleidende verklaringen over de achtergrond van zijn ongeoorloofde afwezigheid op de werkplek, het in het kader van het naar hem ingestelde onderzoek veelvuldig afleggen van verklaringen in strijd met de waarheid, althans het niet geven van openheid van zaken;
d) het zich niet houden aan de regels met betrekking tot de verlofregistratie;
e) het zich niet houden aan de regels met betrekking tot het gebruik van dienstauto en diensttelefoon.